Dierentuinen hebben een
chronisch gebrek aan ruimte. Dit ruimtegebrek heeft een aantal redenen. De
meeste dierentuinen zijn aangelegd rond het begin van de vorige eeuw aan de
rand van de stad, maar zijn in de loop der tijd aan alle kanten door die stad
ingesloten geraakt, waardoor ze maar moeilijk kunnen uitbreiden.
Tegelijkertijd hebben de dierentuinen een omslag gemaakt van dierententoonstelling
naar het tonen van dieren in hun natuurlijke biotoop, waarbij het ontplooien
van zo veel mogelijk soorteigen gedrag voorop staat. Met als gevolg dat het
benodigde aantal vierkante meters per te huisvesten dier alleen nog maar is
toegenomen.
Jonge dieren zijn goed voor het sociale leven van dierentuindieren. En het
zijn grote publiekstrekkers. Maar er moet ook plek voor zijn. Dierentuinen
zijn samen gaan werken om het probleem van overschotten aan exemplaren van
bepaalde soorten (het zogenaamde surplus) het hoofd te bieden. De Nederlandse
Vereniging Dierentuinen (NVD) heeft fokprogramma's opgesteld, niet alleen
om bedreigde diersoorten voor uitsterven te behoeden maar ook om de overschotten
terug te dringen.
